Ik dacht dat het schuldgevoel wel weg zou trekken. Dat het iets was van de eerste weken thuis zijn. Dat het kwam door de kaarten op tafel, bloemen op het aanrecht en mensen die zeiden: “Wat fijn dat je er weer bent.” Dat het logisch was dat ik me toen een beetje schuldig voelde, omdat anderen zich zorgen hadden gemaakt. Omdat mijn ouders nachten niet hadden geslapen. Omdat collega’s mijn werk hadden overgenomen.
Maar helaas ging dat schuldgevoel niet weg…
Continu bewijs leveren
Als ik mijn laptop openklap, voelt het soms alsof ik aan de buitenwereld moet laten zien dat ik weer meedraai. Mijn inbox staat vol met mails en verzoeken, en gek genoeg voel ik geen irritatie, maar iets wat lijkt op bewijsdrang. Zo van ‘Kijk, ik kan dit weer. Kijk, ik ben niet breekbaar. En vooral: kijk, jullie investering was niet voor niets.’
Mijn collega’s zijn attent en geïnteresseerd. Mijn leidinggevende is begripvol. Als ik zou zeggen dat het niet gaat, zou niemand roepen dat ik me moet aanstellen. Maar ergens in mij zit een stem die dat wél doet. Die zegt: je mag niet achterblijven. Je mag geen gedoe zijn. Je moet laten zien dat je het leven aankunt.

En dus zeg ik sneller ja dan goed voor me is. Er is tijd, aandacht, liefde en werk in mij gestoken. Er is voor mij gezorgd. En ergens voelt het alsof ik dat moet terugbetalen. Als het goed gaat, moet ik terugleveren en niet maar half meedoen.
Op werk uit zich dat in kleine dingen. Ik check mijn mail ook ’s avonds nog even, want misschien is er iets dat niet kan wachten. Ik wil geen risico zijn. Geen zwakke schakel. Als iemand anders het druk heeft, neem ik het liever over dan dat ik zie dat diegene moet ploeteren. Alsof ik daarmee iets inlos voor de periode waarin ik het zelf niet kon.
Het gekke is: ik vind werken leuk. Ik ben ambitieus. Ik wil groeien. Dat is het probleem niet. Het probleem is de ondertoon. Het gevoel dat ik het niet alleen wíl, maar móét. Alsof mijn waarde samenhangt met hoeveel ik aankan.
‘Stel je niet aan’
Soms zit ik ’s avonds op de bank, oververmoeid, en heb ik nergens meer zin in. Gek genoeg voel ik dan niet: ik ben moe. Maar ik denk eerder: ‘stel je niet aan’.
Terwijl als er íemand is die weet hoe kwetsbaar een lichaam is, dan ben ik het. Ik weet hoe het voelt als je niks meer kunt. Ik weet hoe afhankelijk je kunt zijn. En toch behandel ik mezelf soms alsof ik onbeperkt beschikbaar moet zijn.
Overcompenseren
Wat ik lang niet wilde toegeven, is dat dat compenseren niet stopt zodra ik mijn laptop dichtklap. Want ook in vriendschappen wil ik extra grappig zijn, extra gezellig, extra “makkelijk”. Ik zeg sneller: ‘maakt niet uit, is goed’ en ik pas me wel aan. Ik blijf liever te lang hangen en kom daarna kapot thuis, dan dat ik degene ben die zegt: ‘ik ga’.
Bij familie voel ik me soms bijna schuldig als ik een keer niks te vertellen heb. Alsof ik altijd moet laten zien dat het goed gaat. Alsof stilte meteen klinkt als zorg. En zorg voelt bij mij nog steeds als iets waar ik iets voor terug moet doen.
En zelfs in de liefde. Dat ik soms denk: ik moet leuker zijn dan ik me voel. Sterker dan ik ben. Ik moet mijn geschiedenis compenseren met lichtheid, met aandacht, met beschikbaarheid. Alsof ik bang ben dat mijn verhaal anders te veel ruimte inneemt.
Drie dingen die écht kunnen helpen
Gelukkig weet ik dit van mezelf en heb ik ook ontdekt wat mij hierin helpt.
- Herken wanneer je compenseert
Zolang het vaag blijft, voelt het alsof het de waarheid is. Terwijl het vaak gewoon een reflex is. - Stop met jezelf steeds te bewijzen
Je hoeft niet de gezelligste te zijn. Niet de meest productieve. Niet degene die alles opvangt. Dat kunnen andere mensen, die nooit op de IC hebben gelegen, namelijk ook niet. - Oefen met kleine, saaie grenzen
Verandering begint niet bij “ik ga mijn hele leven anders doen”. Verandering begint bij: deze mail beantwoord ik morgen. Of een keer zeggen: “Ik red het niet vandaag.” Zo train je jezelf om te stoppen voordat je over je grens heen gaat.
Ik hoef mijn leven niet terug te betalen
Er zit een dun lijntje tussen dankbaar zijn en jezelf bewijzen.
Dankbaar zijn is: wat fijn dat ik hier zit. Dat ik dit mag doen. Dat ik plannen mag maken. Jezelf bewijzen is: ik moet laten zien dat het terecht is dat ik hier zit.
Dat verschil is klein, maar wel heel voelbaar. En ik denk dat veel mensen dit herkennen, ook als ze nooit op een IC hebben gelegen. Misschien is het niet precies hetzelfde, maar wel dat gevoel van: ik moet bewijzen dat ik het waard ben. Ik mag pas rusten als ik genoeg heb gedaan. Ik mag pas bestaan als ik iets toevoeg.
Als ik één ding opnieuw moest leren na de IC, is het dat je je plek in deze wereld niet hoeft te verdienen. Ik leer langzaam dat ik mijn leven niet hoef terug te betalen. Dat ik niet extra hard hoef te rennen om te rechtvaardigen dat ik er nog ben. Dat mijn waarde niet zit in hoeveel ik draag, maar in dat ik er ben, ook als ik minder doe.
Over Eline
Eline studeerde HBO Hotelmanagement en haalde haar Bachelor cum laude, midden in een periode waarin ze vaker in ziekenhuiskamers zat dan ze ooit had kunnen bedenken. Tegen alle verwachtingen in, en misschien ook een beetje tegen haar eigen, vond ze daarna meerdere plekken in het werkende leven. Nu werkt ze als commercieel projectmanager bij een HR-organisatie en is ze ook auteur. Twee banen waarin ze haar enthousiasme, mensenkennis en nuchterheid kwijt kan. Maar wat misschien nog wel belangrijker is: ze werkt op een manier die past bij haar lichaam en haar grenzen. Ze plant slim, verdeelt haar energie zorgvuldig en zegt sneller nee dan vroeger, omdat ze inmiddels weet hoe kostbaar een dag zonder strijd kan zijn. Dingen die vroeger vanzelfsprekend waren, een studie afronden, een baan hebben, meedoen in de wereld, voelen nu als prestaties om écht trots op te zijn. En in haar vrije tijd zit ze graag op de racefiets, vind je haar in de keuken of geniet ze van een wandeling in de natuur of aan zee.

