skip to Main Content

Beademing

Wanneer een patiënt niet goed meer zelf kan ademen, het te veel kracht kost of als hij buiten bewustzijn is, is kunstmatige beademing nodig. Dit is een veel voorkomende reden voor opname op de intensive care. Het beademingsapparaat geeft extra zuurstof aan het lichaam en verwijdert koolzuurgas uit het lichaam. Het apparaat ondersteunt bovendien de ademhaling.

Beademing kan niet-invasief of invasief zijn.

Bij niet-invasieve beademing (NIV) of maskerbeademing krijgt de patiënt via een nauwsluitend masker op het gezicht of op de neus extra zuurstof en hulp bij het ademen. Het masker is via een slang verbonden met de beademingsmachine. Voordeel is dat er geen tube (beademingsbuis) in de luchtpijp hoeft worden ingebracht. Daardoor is de patiënt in staat wat te drinken en te praten. Eten is mogelijk als de patiënt enige tijd zonder masker kan.

Bij invasieve beademing wordt een tube in de luchtpijp geplaatst. De patiënt wordt daarvoor onder narcose gebracht. Via de mond en keel (af en toe via de neus) wordt een tube in de luchtpijp geplaatst. De beademingsbuis wordt via een slang aangesloten aan het beademingsapparaat. Wanneer de tube op de juiste plaats zit, wordt het aan de buitenkant goed gefixeerd.

Lees meer

De tube wordt in de luchtpijp tot voorbij de stembanden geschoven. Aan het einde van de tube zit een klein ballonnetje (de cuff) dat opgeblazen wordt. De cuff zorgt ervoor dat de tube in de luchtpijp op zijn plaats blijft en dat alle uitademingslucht via de tube naar buiten wordt gevoerd. Door de plaats van de cuff voorbij de stembanden, kunnen de stembanden niet in trilling worden gebracht en kan de patiënt niet praten.

Er zijn verschillende manieren om een patiënt te beademen.

De belangrijkste zijn:

1) volledige beademing. De ademhaling is helemaal overgenomen door de machine, de patiënt ademt niet zelf. De beademingsapparataat kan op allerlei manieren worden ingesteld, waarbij bijvoorbeeld de beademingsdruk, het volume en het zuurstofgehalte zo ingesteld worden dat het de ademhaling van de patiënt zo optimaal mogelijk overneemt. Het beademingsapparaat wordt bediend door de ventilation practionar en/of door de artsen en verpleegkundigen die de patiënt behandelen.

Volledige beademing doet geen pijn, maar is niet comfortabel voor de patiënt: de tube in de luchtpijp en de lucht die in de longen geblazen wordt, vinden veel patiënten een onaangenaam gevoel. Daarom wordt er bij volledige beademing vaak slaapmedicatie gegeven: de patiënt wordt gesedeerd. De patiënt reageert daardoor niet of nauwelijks op jou en de omgeving.

2) ondersteunende beademing.

De patiënt ademt hierbij zelf, het beademingsapparaat geeft daarbij ondersteuning. Ondersteunende beademing wordt gebruikt om de patiënt van de volledige beademing te laten ontwennen. De patiënt krijgt steeds minder ondersteuning van de ademhaling, tot dat hij het zonder hulp weer kan. Slaapmedicatie is bij ondersteunende beademing minder nodig.

Er wordt altijd geprobeerd zo kort mogelijk te beademen en zo kort mogelijk sedatie te geven. Als een beademing niet lang duurt, is het meestal makkelijker om van de beademing te ontwennen en zelf weer te gaan ademen. Daarom wordt regelmatig gekeken of de sedatie en de beademing verminderd kunnen worden of dat de beademing zelfs gestopt kan worden.

Hoe lang een beademing duurt en hoe goed het ontwennen gaat, is van patiënt tot patiënt anders. Beademing kan enkele uren duren, maar soms duurt het dagen, weken of soms zelf maanden. Ruim 45 % van de IC-patiënten wordt beademd. De duur kan erg verschillen: patiënten met een ernstige longontsteking worden gemiddeld 7 dagen beademd, sepsis patiënten gemiddeld 2 dagen en patiënten, die na een geplande operatie op de IC worden bewaakt meestal maar een paar uur. Hoe lang een beademing duurt, hangt van vele factoren af zoals de ernst van de aandoening waarvoor beademd moet worden, de voorgeschiedenis en andere ziektes van de patiënt en de eventuele complicaties die kunnen optreden.

Tracheacanule

Als het de verwachting is dat er gedurende langere tijd beademing nodig is of als het niet mogelijk is om een tube via de mond in te brengen, wordt er een tracheacanule ingebracht. Dit is een buisje, dat via een sneetje in de hals in de luchtpijp (de trachea) wordt geplaatst. Het buisje wordt aan de buitenkant van de hals goed gefixeerd. Aan de tracheacanule wordt de beademingsslang vastgemaakt. Het inbrengen van de tracheacanule gaat onder narcose en vindt meestal plaats op de IC, soms op de operatiekamer. Naasten (of de patiënt als hij daartoe in staat is) moeten toestemming geven voor het plaatsen van een tracheacanule.

Buikligging

Wanneer de longproblemen ernstig zijn en met beademing op de rug niet voldoende resultaat wordt bereikt, kan de patiënt op de buik beademd worden. Het doel van buikligging is om de doorbloeding van de longen te optimaliseren zodat de zuurstofuitwisseling uiteindelijk ook verbetert. De longen hebben aan de rugzijde een groter oppervlak dan de voorzijde, waardoor de doorbloeding daar beter is. Wanneer de patiënt op de buik wordt gedraaid kan al het slijm en vocht aan de rugzijde zich verplaatsen naar de voorzijde. Hierdoor openen de longblaasjes aan de rugzijde weer en kan de uitwisseling van zuurstof beter plaatsvinden. De patiënt ligt tijdens de buikligging vaak in een zandbed, dit is een matras gevuld met hele fijne korreltjes waardoor lucht wordt geblazen.

Allereerst wordt de patiënt in een diepere slaap gebracht door middel van medicijnen. De patiënt krijgt daarnaast pijnstilling om het draaien en de buikligging makkelijker te maken. Het gezicht van de patiënt wordt ingesmeerd met een dikke laag vaseline en vervolgens verbonden met een verband om doorligplekken door de beademingsbuis en/of sonde te voorkomen. De ogen worden verbonden met “plastic brillenglazen” om uitdroging te voorkomen.

Het draaien van de patiënt naar buikligging gebeurt onder leiding van de arts en de IC-verpleegkundigen. In de meeste gevallen wordt de patiënt na één dag weer terug op de rug gedraaid om de patiënt beter te kunnen verzorgen en om te kijken of de beademingssituatie is verbeterd.

Tijdens de buikligging zakt het vocht in het lichaam naar de laagst gelegen delen. Het gezicht kan daardoor flink opzwellen. Dit is voor naasten en familie een onprettig gezicht, maar als de buikligging eenmaal is beëindigd, trekt dat vanzelf weer bij.

Hoesten

Hoesten is belangrijk want dat zorgt ervoor dat slijm uit de longen verwijderd wordt. Slijm is een voedingsbodem voor bacteriën. Wie het slijm niet ophoest, loopt meer risico op het krijgen van een longontsteking. Als een patiënt op de intensive care niet zelf kan hoesten, wordt daarom het slijm regelmatig uitgezogen. De verpleegkundige gebruikt daarvoor een slangetje waarmee ze via de tube of tracheacanule het slijm uit de longen, de luchtpijn en mond zuigt. Ook als de patiënt gesedeerd is, kan hij daarop reageren. Daarom vinden naasten het vaak niet prettig dit te zien.

Risico’s

Beademing is vaak noodzakelijk en kan zelfs levensreddend zijn. Het kan de ademhaling overnemen in een periode waarin de patiënt dat niet zelf kan, bijvoorbeeld bij een ernstige longontsteking, griep of neurologische aandoening. Beademing heeft echter ook nadelen en daarom moet er goed worden afgewogen of beademing nodig is en hoe lang.

Risico’s die beademing met zich meebrengt zijn:

  • een longontsteking
  • een pneumothorax of klaplong: er komt lucht in de ruimte tussen de vliezen rondom de longen waardoor er geen vacuüm meer is tussen de longvliezen en de long geheel of deels in elkaar klapt. Daardoor kan de long niet meer of veel minder meedoen met de ademhaling. Beademing wordt hierdoor moeilijk.
  • het stugger worden van de long, waardoor het beademen steeds moeizamer gaat.
  • door langdurige beademing kunnen de ademhalingspieren, waaronder het middenrif, verzwakt raken waardoor het moeilijker is om van de beademing te ontwennen.
  • in zeer uitzonderlijke gevallen kan het zijn dat de patiënt niet ontwend kan worden van de beademing. Hij moet dan chronisch beademd worden.

Bij niet-invasieve beademing kunnen er drukplekken ontstaan op de plek waar het masker aansluit op het gezicht en hoofd. Ook is er kans op verslikken. Er kan dan maaginhoud in de longen komen, met kans op infectie en problemen met de ademhaling/beademing.

Niet aanspreekbaar

Bij beademing via een tube is de patiënt meestal niet aanspreekbaar. Hij is immers gesedeerd. Toch is het mogelijk dat hij jou kan horen en (in zijn onderbewustzijn vaag) kan meekrijgen wat er gebeurt. Daarom is het belangrijk dat jij, de artsen en verpleegkundigen tegen hem praten en uitleggen wat er gebeurt tijdens de verzorging en behandelingen. Raak hem gerust aan, houdt zijn hand vast en streel. Aarzel niet dat te doen.

Communiceren

Als de patiënt bij het afbouwen van de beademing weer wat wakker wordt, kan hij door de beademingsbuis in zijn keel nog niet praten. Door vragen te stellen waarop met “ja” geknikt of “nee” geschud kan worden, kunt je er achter komen wat je naaste zou willen zeggen. Ook schrijven, liplezen, het maken van gebaren of het knijpen in je hand en het gebruik van letterborden kunnen helpen. Makkelijk is dit allemaal niet. IC-verpleegkundigen hebben veel ervaring in het communiceren met wakkere, beademde IC-patiënten. Zij helpen graag daarbij.

De meeste IC’s hebben iPad’s waarop VoICe is geïnstalleerd, de iPad communicatie app die door het RadboudMC is ontwikkeld. Via deze app kunnen beademde, wakkere patiënten op een simpele manier met hun omgeving communiceren.

Klap in

Sederen en coma

IC-patiënten die beademd worden, worden vaak gesedeerd. Gesedeerd zijn betekent in feite dat iemand kunstmatig in slaap wordt gehouden. Het bewustzijn wordt verlaagd door het toedienen van rustgevende of slaapmedicijnen. Sedatie wordt regelmatig verward met coma, maar een coma is echt iets anders.
Coma is een staat van diepe bewusteloosheid waarbij de persoon de ogen niet opent op aanspreken, geen opdrachten uitvoert en geen verbale reacties geeft. Je kan in coma raken door bijvoorbeeld: hersenschade na een ongeluk, door een overdosis medicijnen of door een zuurstofgebrek in je hersenen, bijvoorbeeld na een hartstilstand. De diepte van de bewustzijnsdaling is bij coma alleen nog af te leiden vanuit bepaalde motorische reacties op pijnprikkels.

Om vast te stellen of iemand in coma is, zijn er drie punten waar op wordt gelet:

  • Opent iemand z’n ogen als hij wordt aangesproken?
  • Trekt iemand z’n handen terug bij een pijnprikkel?
  • Geeft iemand antwoord op een vraag?

Wanneer een patiënt gesedeerd is, kan hij soms niet meer reageren of communiceren. Dat betekent niet dat hij niets ervaart van wat er om hem heen gebeurt. IC-personeel praat daarom gewoon tegen de patiënt. Het is goed als naasten en bezoekers dit ook doen, ook al lijkt de patiënt niet te reageren. Je kan hem of haar ook gewoon aanraken, een knuffel geven of een hand vasthouden. (Informeer wel even bij de verpleegkundige of dit mag met de hygiënevoorschriften).

Lees meer

De start van de sedatie is een ingrijpend moment. Het kan zijn dat de conditie van de patiënt zo slecht is, dat het onzeker is of de patiënt ooit weer zal ontwaken. Daarom worden patiënt en familie vaak aangespoord om ‘voor de zekerheid’ afscheid van elkaar te nemen. De diepte van de sedatie kan erg verschillend zijn. Als er te diep gesedeerd wordt, verlengt dat – onnodig – de duur van de beademing. Een te lichte sedatiediepte kan voor stress zorgen. Vandaar dat er op regelmatig wordt onderzocht of de sedatie moet worden aangepast, kan worden verminderd of afgebouwd.

Gesedeerde patiënten kunnen pas ontwaken als de toediening van de medicijnen stopt. Meestal wordt dat langzaam afgebouwd. Patiënten worden dan niet direct wakker, dit kan een paar uur of zelfs een paar dagen duren. De patiënt kan tijdens het wakker worden verward en onrustig zijn. Dat komt vaak voor. Het wakker worden gaat soms gepaard met een delier. Juist in dit stadium tussen gesedeerd zijn en wakker worden en de vage waarneming van de omgeving die bij deze situatie hoort, kan het brein de vage waarnemingen aanvullen tot herkenbare “valse” situaties die niets met de huidige realiteit te maken hebben. Dit kunnen heel mooie valse waarnemingen zijn, zoals een gezellig feest, een prachtige natuur, of een lekker etentje. Maar deze valse waarnemingen kunnen ook heel griezelig of eng zijn, zoals spinnen of slangen die uit de muren komen, of artsen die rondom het IC-bed drugs aan het dealen zijn. Voor naasten is het belangrijk dit te herkennen en dit aan de verpleegkundigen en artsen door te geven.

Vaak heeft de patiënt bij ontwaken geen enkel besef wat er gebeurd is, hoe hij op de IC terecht is gekomen, hoe ziek hij is geweest en hoe lang hij er al ligt. Dat kan het moment van ontwaken een heftig en ontroerend moment maken, waarop naasten voorbereid moeten zijn. Beetje voor beetje zal de patiënt van de verpleging, artsen en van de naasten te horen moeten krijgen wat er is gebeurd. De patiënt heeft echt tijd nodig om dit langzaamaan allemaal te kunnen gaan bevatten.

Klap in

ECMO

ECMO staat voor Extra Corporele Membraan Oxygenatie. Het lijkt op een hart-long machine die bij hartoperaties wordt gebruikt. Een ECMO-apparaat neemt de functie van het hart en/of de longen compleet of gedeeltelijk over. Bijvoorbeeld als de longen door een ernstige longontsteking niet meer functioneren en beademing onvoldoende effectief is of bij een groot hartinfarct waarbij een groot deel van de hartspier niet meer werkt. Door het tijdelijk overnemen van de hart- en longfunctie, krijgen deze organen de kans en rust om te herstellen. ECMO wordt ook ter overbrugging gebruikt bij mensen die op een hart- of longtransplantatie wachten.

De ECMO ondersteunt het hart en/of de longen met een bloedpomp en een kunstlong. Het bloed wordt door middel van een pomp via canules (lange slangen) uit het lichaam aangezogen en doorgestuurd naar een kunstlong. In de kunstlong wordt koolzuurgas verwijderd en zuurstof toegevoegd. Daarna wordt het zuurstofrijke bloed door de pomp naar het lichaam gepompt.  De twee canules (lange slangen) worden door de thoraxchirurg via de grote liesarterie, in de hals of via de borstholte geplaatst. De canules worden aan het ECMO-apparaat gekoppeld waarna de hart- en longfunctie door de hart-longmachine wordt overgenomen. Het ECMO-apparaat wordt bediend door de perfusionist. De perfusionist bespreekt de behandeling met de intensivist en de IC-verpleegkundige en adviseert hen daarover.

Een behandeling kan een aantal dagen tot enkele weken duren. Dit is afhankelijk van de aandoening en het optreden van eventuele complicaties. Als het mogelijk is, kunnen patiënten wakker aan de ECMO liggen en op een gegeven moment zelf gaan (mee) ademenen en lichte spieroefeningen doen. Dit bevordert het herstel.

Lees meer

Als de ziekte of beschadiging aan hart en/of longen voldoende zijn hersteld, kan men beginnen met de ‘ontwenning’ van de ECMO. De werking van de ECMO wordt langzaam verminderd, waardoor het hart en de longen langzaam maar zeker weer een deel van het werk kunnen overnemen. Wanneer de patiënt volledig zonder ondersteuning van de hart-en longfunctie kan, wordt de ECMO gestopt en de canules verwijderd.

Een ECMO-behandeling wordt alleen gegeven als normale beademing niet voldoende werkt of wanneer de hartfunctie met medicatie of andere behandelingen niet voldoende ondersteund kan worden. ECMO is niet zonder risico. De toediening van het medicijn heparine voorkomt dat het bloed gaat stollen. Hoewel de ‘stolbaarheid’ van het bloed regelmatig wordt gecontroleerd, kan het zijn dat het bloed te veel ontstold wordt waardoor er bloedingen kunnen optreden. Dit kan aanleiding geven tot een bloedtransfusie of tot chirurgisch ingrijpen. Bij het toedienen van te weinig heparine kunnen zich kleine bloedstolsels in de bloedbaan vormen, wat tot  beschadigingen aan vitale organen kan leiden. Een bloeding of bloedstolsel in de hersenen kan bijvoorbeeld leiden tot een beroerte. Ook kunnen er infecties optreden.

Niet elke IC heeft de mogelijkheid voor ECMO. Overplaatsing naar een ander ziekenhuis kan dan nodig zijn. Het vervoer daar naar toe gaat met de MICU (Mobiele Intensive Care Unit).

Klap in

Continue veno-veneuze hemofiltratie (CVVH)

De nieren zuiveren het bloed van allerlei afvalstoffen en voeren die af naar de urine. Als de nieren niet goed (genoeg) werken, hopen afvalstoffen en vocht in het lichaam op. Dan kan het nodig zijn om de functie van de nieren tijdelijk over te nemen met een apparaat dat werkt als een kunstnier. Meestal wordt op de IC gekozen voor continue vervanging van de nierfunctie: CVVH of Continue Veno-Veneuze Hemofiltratie. Dat is minder belastend voor de bloedcirculatie dan hemofiltratie, waarbij gedurende een paar uur per dag het bloed wordt gezuiverd van afvalstoffen en een teveel aan vocht.

Bij CVVH brengt de arts een diepe lijn (een dialyse catheter) in in een grote ader in de lies, onder het sleutelbeen of in de hals. Het bloed wordt hierdoor afgevoerd naar de kunstnier in het dialyseapparaat. Hier worden de afvalstoffen en het teveel aan vocht uit het bloed gehaald. Het gezuiverde bloed komt weer in het lichaam. Onder het apparaat hangen zakken, een voor de afvalstoffen en het vocht dat uit het bloed is gehaald, een met vloeistof die naar het lichaam gaat.  CVVH kan ook worden gebruikt bij de behandeling van een overdosering van medicijnen of alcohol.

Als de patiënt stabiel genoeg is, kan er ook voor hemodialyse gekozen worden. Hoe dat werkt, ziet u in het filmpje hieronder.

Er zijn vele oorzaken waardoor de nierfunctie minder kan worden tijdens de IC-periode. Bijvoorbeeld door een verminderde bloedtoevoer en/of zuurstoftoevoer naar de nieren. Dit kan optreden bij een te lage bloeddruk, bij hartfalen of bij een infectie. Ook kunnen de nieren beschadigd raken door een ontstekingsreactie, door medicijnen en door vele andere redenen. Soms treedt er nierbeschadiging op door een blokkade van de urinewegen.

Acute nierschade zal in de meeste gevallen weer herstellen. De CVVH kan dan gestopt worden. Het is vaak niet te voorspellen bij wie de nierfunctie wel of niet terug zal komen. Het herstel kan snel optreden, maar soms duurt het weken tot maanden. Daarom is het belangrijk om na de nierfunctie ook in de periode na de IC-opname goed in de gaten te houden.

Plasmaferese

Plasmaferese is heel simpel gezegd: het zuiveren van het plasma. Bloedplasma is het waterige bestanddeel van bloed dat overblijft als alle rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes uit het bloed verwijderd worden. Er blijft dan een strogele vloeistof over die voor 90% uit water bestaat, met daarin onder andere opgelost eiwitten, stollingsfactoren, zuurstof en koolzuurstof, vitaminen, mineralen en hormonen en ontstekingsstoffen. In de lies wordt in de liesader een katheter (een dik infuusslangetje) ingebracht. Via deze katheter komt het bloed in het plasmaferese apparaat.  Hierin bevindt zich een filter dat het bloedplasma scheidt van al deze bloedcellen. Het eigen plasma met daarin ziekmakende stoffen wordt vervangen door donorplasma. De eigen bloedcellen worden daarna weer aan het donorplasma toegevoegd. De ziekmakende stoffen worden op deze manier uit het bloedplasma gefilterd. Tijdens de plasmaferese wordt een ontstollingsmiddel toegevoegd om te voorkomen dat het bloed tijdens de plasmaferese gaat stollen. De behandeling duurt ongeveer twee uur.

Plasmaferese wordt gebruikt bij verschillende auto-immuunaandoeningen waarbij het bloed schadelijke antistoffen bevat, zoals bij multiple sclerose (MS), Guillain-Barré, het syndroom van Goodpasture of Granulomatosis met polyangiitis (GPA, voorheen ziekte van Wegener). Ook wanneer het bloed stroperig of dikker is dan normaal, zoals bij hyperviscositeitssyndromen, kan plasmaferese worden toegepast

Er kunnen complicaties optreden, zoals infecties en allergische reacties op het donorplasma. Plasmaferese kent verschillende bijwerkingen, zoals tintelingen in of rondom de mond of de vingers. Het toegevoegde ontstollingsmiddel is hier de boosdoener. Het tintelende gevoel kan worden verholpen met behulp van medicatie. Soms krijgt iemand het koud omdat het bloed in de machine wat is afgekoeld. Daarbij kan de bloeddruk wat verlagen, wat een onprettig en draaierig gevoel kan geven. Vaak is iemand wat vermoeid na de behandeling.

Pijnbehandeling

Pijnbehandeling is een essentieel onderdeel van IC-zorg. IC-patiënten kunnen tijdens hun opname niet altijd aangeven óf ze pijn hebben, waar ze pijn hebben en in welke mate de pijn aanwezig is. Bij wakkere patiënten kan de verpleging door middel van pijnvragenlijsten en pijnscores meer duidelijkheid verkrijgen over de pijnscore van de patiënt. Met dit pijnscore-hulpmiddel kunnen patiënten aangeven of ze geen (0) of onhoudbare pijn (10) ervaren. Nadat pijnmedicatie is toegediend, wordt op een later tijdstip opnieuw via dit hulpmiddel gevraagd wat voor score iemand de eigen pijn geeft. Als die niet zakt, wordt de pijnmedicatie bijgesteld totdat de gewenste pijnvermindering is bereikt.

De meeste patiënten op de IC-afdeling zijn echter gesedeerd, zodat eventuele pijn op een andere manier gemeten moet worden. Dit kan door middel van bijvoorbeeld de CPOT (Critical Care Observation Tool). Pijn kan daarnaast worden herkend aan de hand van gezichtsuitdrukkingen, beweging van het lichaam, spierspanning en acceptatie van beademing wanneer de patiënt wordt beademd. Een belangrijk verschil voor de behandeling van pijn is de vraag of het acute, plotselinge pijn is of langdurig aanwezig chronische pijn.

In de behandeling van pijn wordt soms morfine gebruikt maar er kunnen ook andere pijnstillers worden toegepast.

Drainage

Soms moet een drain ingebracht worden, dit heet een drainage. Er wordt dan onder verdoving een afvoerslang(etje) ingebracht om vocht, lucht, bloed of pus naar buiten te leiden.

Als er bijvoorbeeld door een verwonding of als complicatie van beademing een long is samengeklapt (pneumothorax) wordt er in de borstholte een thoraxdrain  ingebracht. Op deze drain staat een vacuüm, oftewel zuigkracht, waardoor er niet opnieuw lucht in de borstholte komt die de long samendrukt. Bij een bloeding in bijvoorbeeld de buikholte kan ook een drain gebruikt worden om het bloed af te voeren.

Bloedtransfusie

Bloedarmoede komt veel voor bij IC-patiënten, bijvoorbeeld door bloedverlies (na een ongeluk) of door beperking van de bloedaanmaak (door een ontsteking). Door bloedtransfusies kan de bloedarmoede opgeheven worden.

Bloed bestaat uit rode en witte bloedcellen, bloedplaatjes en plasma. In rode bloedcellen zit het eiwit hemoglobine (Hb), dat ijzer bevat. Het ijzer in het hemoglobine geeft bloed zijn rode kleur. Hemoglobine bindt zuurstof (O2)en koolzuurstof of koolstofdioxide (CO2) aan zich. Zo wordt door het bloed zuurstof naar alle organen en weefsels gebracht en CO2 afgevoerd, waardoor de weefsels goed kunnen functioneren. Witte bloedcellen zijn betrokken bij het afweersysteem en infecties, bloedplaatjes zijn nodig om het bloed te kunnen laten stollen. Als je uit bloed alle cellen verwijdert, blijft er plasma over, een stro-gele vloeistof. Daarin zijn verschillende stofjes opgelost (zie bij plasmaferese). Bij een transfusie gaat het meestal om het toedienen van rode bloedcellen. Het toedienen van witte bloedcellen gebeurt nauwelijks omdat deze cellen een korte levensduur hebben. Bloedplaatjes kunnen wel met een transfusie gegeven worden. Voordat tot bloedtransfusie wordt overgegaan, wordt eerst onderzocht welke bloedgroep de patiënt heeft. Dit is nodig om ‘passend’ bloed te kunnen geven.
Iedereen heeft afweerstoffen in zijn bloed tegen bloedcellen van anderen, waarvan de rhesusfactor de bekendste is. Er wordt in het laboratorium altijd gezocht naar donorbloed dat zo veel mogelijk matcht met het bloed van de patiënt. Het bloed wordt toegediend via een infuus. Tijdens de transfusie wordt voortdurend de bloeddruk, de hartslag, de ademhaling en de temperatuur in de gaten gehouden.

Iedereen heeft afweerstoffen in zijn bloed tegen bloedcellen van anderen, waarvan de rhesusfactor de bekendste is. Er wordt in het laboratorium altijd gezocht naar donorbloed dat zo veel mogelijk matcht met het bloed van de patiënt. Het bloed wordt toegediend via een infuus. Tijdens de transfusie wordt voortdurend de bloeddruk, de hartslag, de ademhaling en de temperatuur in de gaten gehouden.

Jaarlijks krijgen zo’n 250.000 Nederlanders een bloedtransfusie. Het is een relatief veilige behandeling. Af en toe treedt er een allergische reactie op bij de patiënt (koorts, rillingen, jeuk, rode huid). Dit kan met medicijnen behandeld worden.

Fysiotherapie

Langdurige bedlegerigheid en inactiviteit kan tot een ernstige verzwakking van de spieren en tot andere lichamelijke complicaties kan, zoals longontsteking als de patiënt niet goed meer kan doorademen. Dat kan tot nieuwe problemen leiden en herstel flink in de weg zitten. Om die klachten te verminderen of te voorkomen, krijgen IC-patiënten al in een vroeg stadium fysiotherapie. Fysiotherapeuten houden zich bezig met de preventie van spierzwakte en behandelen de problemen die ontstaan ten gevolge van bedrust en inactiviteit. Ze spelen een belangrijke rol in het IC-behandelteam.

Fysiotherapeuten hebben een heel arsenaal aan therapieën die op de IC vooral gericht zijn op onder andere:

  • verminderen van oedeem in de extremiteiten
  • optimaliseren en onderhouden van de spierkracht
  • voorkomen van spieratrofie
  • hulp en adviezen voor liggen, zitten, weer gaan staan en weer gaan lopen

Ook geeft de fysiotherapeut advies over de keuze voor en het gebruik van (loop)hulpmiddelen. ‘Vroegmobilisatie’ is essentieel voor de conditie van de spieren en gewrichten, maar ook voor de mentale conditie van de patiënt en voor het vóórkomen van een delier.

Lees meer

Fysiotherapie kan al gestart worden als de patiënt nog beademd wordt maar verder stabiel is. Er kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een zogeheten elektrische bedfiets en er kunnen passieve spieroefeningen worden gedaan.

Patiënten die wakker aan de beademing liggen, krijgen soms loopoefeningen op een loopband of oefeningen in een zwembad, afhankelijk van de mogelijke belastbaarheid van een patiënt. Fysiotherapie wordt alleen gegeven als de medische toestand van de patiënt dat toelaat.

Klap in

Reanimatie

Reanimeren is het opnieuw op gang proberen te brengen van de bloedsomloop als het hart door bijvoorbeeld een ernstige ritmestoornis of en zwaar hartinfarct niet meer in staat is bloed door het lichaam te pompen.

Het reanimatieteam in het ziekenhuis staat altijd paraat en wordt direct opgepiept als een patiënt gereanimeerd moet worden als een patiënt nog op de afdeling ligt. Een reanimatie op de IC wordt door het IC-team uitgevoerd.

Als het hart geen bloed door het lichaam pompt, moet er hartmassage worden gegeven om het bloed weer rond te laten pompen en het hart weer op gang te krijgen. Doel daarvan is om de hersenen en weefsels zo kort mogelijk zonder zuurstof te laten. Hartmassage kan zowel met de hand als met een apparaat worden gegeven. De patiënt wordt geïntubeerd met een beademingsbuis en daardoor beademd, eerst met een ballon, later met een beademingsapparaat. Met medicatie wordt geprobeerd het hart weer op gang te krijgen. Als iemand ventrikelfibrileren heeft, een ernstige hartritmestoornis waardoor het hart niet meer in staat is zich samen te trekken, wordt geprobeerd om met elektrische schokken het hart weer in het normale ritme te krijgen. Dit wordt gedaan met een defibrilleerapparaat en heet defibrilleren of “klappen”. Tijdens de reanimatie wordt ook onderzocht of de oorzaak van het hartprobleem achterhaald kan worden, zodat die oorzaak behandeld kan worden.

Staken of afzien van de behandeling

In sommige situaties is de behandeling van de patiënt in medisch opzicht niet meer zinvol. Er bestaat dan geen kans meer dat de patiënt ooit nog beter wordt van de behandeling. De arts kan dan de moeilijke beslissing nemen de behandeling te staken.

Bij het staken van een behandeling kan het gaan om het staken van de intensive care behandelingen zoals de kunstmatige beademing, het geven van ondersteunende medicatie voor het hart of dialyse. De artsen kijken altijd vanuit de medisch bestaande kennis binnen hun vakgebied of het verder behandelen van deze patiënt in deze situatie nog een kans op een herstel biedt. Daarover wordt uitgebreid overlegd binnen het behandelteam met alle betrokkenen, zoals de intensivisten, de verpleegkundigen en de betrokken medisch specialisten. De definitieve beslissing wordt pas genomen na uitvoerig overleg met de naasten.


Als er een beslissing moet worden genomen over het afzien van een behandeling, gaat het bijvoorbeeld over het niet meer reanimeren bij een circulatiestilstand of een fatale hartritmestoornis. Ook kan het gaan over het niet meer behandelen van een bloeddrukdaling, het niet beginnen van een nierfunctie vervangende therapie of het nalaten van een behandeling van nieuwe infecties.

Lees meer

In de meeste gevallen waarbij een beslissing over het stoppen van een behandeling moet worden genomen, gaat het om patiënten die alleen nog in leven zijn dankzij ondersteunende of orgaanfunctie vervangende apparatuur of medicatie. Zonder deze technieken zouden de patiënt al zijn overleden. De patiënt wordt beademd en gesedeerd en kan zelf niet beslissen over zijn situatie. De beslissing ligt daardoor in de handen van de behandelend arts. De arts zal deze beslissing nemen in overleg met de naasten/familie.

Het staken van de behandeling zal uiteindelijk leiden tot het overlijden van de patiënt. Dit kan binnen een paar minuten gebeuren, soms duurt het een aantal uren of zelfs dagen. Bij jonge patiënten duurt dit doorgaans langer dan bij oudere patiënten.

Bij het staken van de behandeling kan orgaandonatie ter sprake komen. Voor orgaandonatie worden strenge protocollen gebruikt zoals het hersendoodprotocol.

Klap in

Back To Top